
Jurisprudentie
AR7407
Datum uitspraak2004-12-02
Datum gepubliceerd2004-12-13
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers03/4478 WUV
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-12-13
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers03/4478 WUV
Statusgepubliceerd
Indicatie
Afwijzing aanvraag WUV-uitkering omdat betrokkene geen vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan en voorts niet met
met de vervolgde kan worden gelijkgesteld.
Uitspraak
E N K E L V O U D I G E K A M E R
03/4478 WUV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats] (Indonesië), eiser,
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Onder dagtekening 30 juni 2003, kenmerk JZ/T60/2003/0420, heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Tegen dat besluit heeft eiser bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift heeft eiser uiteengezet waarom hij zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 21 oktober 2004. Aldaar zijn partijen niet verschenen.
II. MOTIVERING
In oktober 2001 heeft eiser, geboren op 6 juli 1929 in het voormalige Nederlands-Indië, bij verweerster een aanvraag ingediend om hem met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet met de vervolgde gelijk te stellen en in aanmerking te brengen voor een periodieke uitkering. In dat verband heeft eiser aangevoerd dat zijn vader ongeveer een jaar gevangenschap heeft ondergaan in de gevangenis Karabosi te Makassar en dat zijn vader drie maanden na zijn vrijlating is overleden als gevolg van de ontberingen en de mishandelingen tijdens de gevangenschap
Verweerster heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 29 juli 2002, zoals gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit. Hiertoe is overwogen dat eiser geen vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan en voorts niet met toepassing van het bepaalde in artikel 3, tweede lid, van de Wet met de vervolgde kan worden gelijkgesteld nu niet is voldaan aan de in artikel 3, eerste lid, van de Wet gestelde voorwaarden van nationaliteit en woonplaats.
De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door eiser in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden.
Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.
Naar uit de stukken blijkt heeft eiser verklaard zelf geen vervolging in de zin van de Wet te hebben ondergaan. Derhalve staat in dit geding centraal de vraag of verweerster terecht heeft geweigerd eiser met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet gelijk te stellen met de vervolgde.
Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Wet is verweerster bevoegd de persoon die vervolging heeft ondergaan, maar niet voldoet aan de vereisten bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet, dan wel de persoon die voldoet aan de vereisten van evenvermeld eerste lid en tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 in omstandigheden verkeerde welke overeenkomst vertonen met vervolging, met de vervolgde gelijk te stellen indien het toepassen van de Wet ten aanzien van deze persoon een klaarblijkelijke hardheid zou zijn.
Hierbij geldt dat gelijkstelling niet kan plaatsvinden indien zowel aan artikel 2 als aan artikel 3, eerste lid, van de Wet niet is voldaan.
Nu niet is gebleken dat eiser vervolging in de zin van artikel 2 van de Wet heeft ondergaan en vaststaat dat hij niet voldoet aan de nationaliteits- en territorialiteits-vereisten zoals gesteld in artikel 3, eerste lid, van de Wet, is de Raad van oordeel dat de weigering van verweerster om eiser met de vervolgde gelijk te stellen op goede gronden berust.
Gezien het voorgaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond, zodat dit besluit in rechte kan standhouden. Het beroep van eiser dient dan ook ongegrond te worden verklaard.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, inzake een vergoeding van proceskosten.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. G.L.M.J. Stevens, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 december 2004.
(get.) G.L.M.J. Stevens.
(get.) J.P. Schieveen.
HD
10.11

